hoop
FACTS AS FICTION
MARY ELLEN MARK WIL HAAR PUBLIEK BEREIKEN, NIET ELEKTROCUTEREN.
1993
By ROGIER VAN BAKEL
Photographs by MARY ELLEN MARK

214H-143-002
Amanda and her cousin Amy, North Carolina, 1990. “Ze had echt een vulgaire mond. Ze was briljant.”

Mary Ellen Mark, veel bekroond fotografe [ex-Magnum, staat op de barricaden voor 's werelds verdrukten, maar stelt haar lens ook scherp voor adverteerders als Levi's (in opdracht van BBH) en the Gap en bladen als Vogue of Good Housekeeping Magazine. Ze verafschuwt de Wham Barn Thank You Ma'am-stijl van werken. Maar waar ligt nou eigenlijk de grens? Wanneer gaat een fotograaf over de rand? "Dag mevrouw, ik kom even een foto yap u maken op uw sterfbed."

Als er onvoorstelbaar menselijk leed in beeld moet worden gebracht, zijn er nogal wat tijdschriftredacties die aan u denken. Is dat bemoedigend? Of eerder verontrustend?

"Dat staat me helemaal niet tegen. Ik word liever geassocieerd met zaken die wezenlijk zijn, die niet aan de oppervlakte drijven. Ik heb voor Vogue eens een piece over de Olympische Spelen voor gehandicapten gedaan, en een reportage waarin de voor- en tegenstanders van abortus werden geportretteerd. Maar ik weet ook dat adverteerders zo langzamerhand erg veel te vertellen hebben gekregen binnen de tijdschriftenindustrie.

Menige redactie denkt dat die adverteerders niets willen zien dat lezers van streek zou kunnen brengen. Ik geloof dat je, om lezers te bereiken, niet per se foto's hoeft te maken die bloederig en deprimerend zijn. Ik probeer altijd te zoeken naar de waardigheid die mensen vaak onder de meest vreselijke omstandigheden weten te behouden. Het sensationele heeft ons doodgeslagen. We hebben allemaal een miljoen foto's gezien van lijden. Om ze weer echt sterk te maken zul je niet de ellende moeten benadrukken, maar juist wat er op de mestvaalt nog bloeit. Ik fotografeer die mensen omdat ze het waard zijn. Waard, begrijpt u, in de letterlijke zin: ze hebben waarde. Ik wil daar niets van afhalen door ze middels een lens te vernederen. Er zijn manieren om de viezigheid, de troep en de ellende niet pontificaal in beeld te brengen, maar als een haast terloopse backdrop te laten zien. Als je het te hard doet wenden mensen zich van je werk af. Wanneer ik fotografeer, heeft het geen zin iets te laten zien dat al een miljoen keer eerder is gedaan. Dat is moeilijk: je moetje eigen individualiteit zoeken. En dat is mijn tweede probleem met een hoop tijdschriften tegenwoordig: er wordt bij 't leven gejat en gekopieerd. Te veel komt me te bekend voor.

Nog niet zo lang geleden heb ik voor Vogue aan een interessante opdracht over het effect van aids op gezinnen met kinderen gewerkt. Vogue! Is het niet verbazend? Is het niet fantastisch? Dat ze voor veel méér staan dan leuke jurkjes van duizend dollar? Ik ben ook blij met een serie foto's van het gezin van Billy Graham, de evangelist. Op het moment doe ik een modereportage voor L'Uomo Vogue (haast verontschuldigend, hoge stem, halve giechel). Dat is weer iets heel anders. Waarom dat niet eens proberen? Werken voor tijdschriften bevalt me, en ik wil een hele reeks aspecten ervan onder de knie krijgen. En verder... Ik hoop me binnenkort weer eens aan een lang project in India te kunnen wijden, maar ik heb er eerst geld voor nodig.

911F-000-001
Miami’s local residents walgen van Levi’s. Reclameopdracht voor BBH, 1993.

India is mijn tweede thuis. Aan bepaalde plaatsen raak je gehecht, omdat je er iets herkent; of juist niet herkent; je vindt een element datje thuis mist. Ofschoon het gras heus niet altijd groener is aan de andere kant. Ik werk nu zoveel in de Verenigde Staten dat er over een jaar of tien waarschijnlijk een heel oeuvre ligt dat over Amerika gaat. Amerika fascineert. Natuurlijk is niet elke plek op de wereld visueel interessant, maar er zijn landen die je netvlies eerder tevredenstellen dan andere. India is er daar één van, maar de Verenigde Staten zeker ook."

Van buiten schoon
In het begin van uw loopbaan is u een belangrijke reissubsidie toegekend. U bent toen ook in Nederland geweest. Was uw netvlies content?

"Ik heb er niet gefotografeerd, want ik was er te kort. Het lijkt me heel interessant hoor... Te meer omdat er van die vreemde kantjes aan sommige plekken in Nederland zitten.

Aan de steden, vooral. Er gebeuren daar van oudsher altijd edgy things. Prostitutie, drugs, en allemaal heel open: it's right out there. Het is totaal verlopen en totaal niet-verlopen tegelijk. Dat maakt het zo interessant. Aan de buitenkant dat schone en alles-op-zijn-plaats, maar dat bedekt een onderbuik van morele onverschilligheid, of misschien wel morele progressiviteit."

U zit alweer een kwart eeuw in het vak. Is uw relatie met tijdschriften, uw belangrijkste opdrachtgevers, in de loop der jaren veranderd?

"Als je niet op het harde nieuws uit bent dat heeft nooit zo goed bij me gepast - zijn er
nu minder kansen voor fotografen. Het idee datje ergens heen kunt gaan en je dan voor een paar maanden op die plek ingraaft om het leven daar te bestuderen en vast te leggen, dat soort opdrachten wordt haast niet meer vergeven. Voldoende tijd is belangrijk voor een goed resultaat. Maar tijd kost ook geld. Ik begrijp wel dat ze niet zonder sputteren tegen me zeggen: 'hier is een blanco cheque, kom maar terug als jij denkt datje het juiste materiaal hebt'. Anderzijds be-
grijp ik het niet, al die aandacht voor oppervlakte, voor buitenkant.

Maar goed, zo'n Vogue-reportage geeft de burger moed. Dat maakt het de moeite waard. Het was helemaal hun initiatief, en ze hebben natuurlijk een publiek dat de informatie op enig niveau kan verstouwen en er financieel iets aan kan helpen doen. Geweldig om daarvoor gevraagd te worden. De bladen zijn gelukkig niet allemaal klem gezet op een koers downhill. Sommige bladen proberen qua inhoud juist omhoog te gaan. Als ik zo'n opdracht als die van Vogue elke maand zou krijgen, zou ik gelukkig zijn."

In Nederland bestaat er een woord dat het volkskarakter, of het collectieve hunkeren, heet samen te vatten: gezellig. Met een paar uitzonderingen lijken Amerikaanse bladen de laatste jaren steeds gezelliger te worden. Veel aandacht voor veilige dingen, dicht bij huis. Entertainment voor alles.

"Ben ik met je eens. Een blad als Life was god weet hoelang het walhalla van de
fotojournalistiek, en nu houden ze alles buiten de deur wat bij de lezer een ongemakkelijk schokje zou kunnen veroorzaken. Ik klamp me natuurlijk vast aan de bladen die me af en toe mijn gang nog laten gaan. Vogue. GQ. Die reserveren zo nu en dan nog wel eens wat pagina's
voor sociale fotografie. Maar over het geheel genomen is het niet meer zoveel als ik wenselijk vind. Tien jaar geleden liep ik elke dag met de tong op mijn schoenen vanwege wéér een energievretende sociale reportage. Nu word ik niet genoeg meer afgepeigerd. Ik heb werk zat, maar in de documentaire tak is de spoeling wezenlijk dunner geworden."

601G-169-004
His master's shoe: reclamefoto voor Gap Shoes.

Prachtige ellende
De journalistiek is in hoge mate een exploiterend vak. Misschien wel de helft van de inkomsten wordt verdiend aan aardbevingen, moorden, branden, hongersnoden en andere ellende. Aarzelt u nooit voor u erop afstapt, weer zo'n stumperige wildvreemde die straks een prachtfoto oplevert?

"De mensen voor mijn lens zijn vaak een beetje geïntimideerd. Ik probeer ze op hun gemak te stellen, maar dat is niet eenvoudig. 'Want tegelijkertijd eis je de bovenhand op, wil je de situatie onder controle hebben. Gêne helpt niet. Wie zich schaamt, komt nooit met een goeie foto thuis. Als je je tezeer laat leiden door de gedachte dat fotografie het leven van die mensen binnendringt en dat doet het - dan lukt het niet. You have to get over that. Het is een vreemde, moeilijke balans, wantje wilt ook weer niet bazig overkomen. Ik vind datje heel ver moet gaan, maar niet zover dat het een vernedering wordt voor degenen die je fotografeert. Voorbeeld: een jaar of vijf geleden deed ik een verhaal voor Life, over autistische kinderen.

Op een gegeven moment was ik bij een van die kinderen thuis, toen een meisje zomaar een toeval kreeg. Dat kon ik niet fotograferen. De moeder had haar toestemming gegeven, en ik had de camera voor mijn gezicht, maar mijn vingers waren bevroren. In het tehuis voor geestelijk gestoorden, waar ik heb gefotografeerd, had ik het soms ook. En in Calcutta, onder de allerarmsten. Behalve dat ik de waardigheid van de mensen die ik fotografeer onder geen beding wil compromitteren, is er nog een overweging die me tot terughoudendheid maant: ik wil een publiek bereiken, niet geestelijk electrocuteren. Mensen die in hun eigen uitwerpselen sterven, die fotografeer ik niet. Je voelt je al snel een uitbuiter als je de grenzen niet scherp in de gaten houdt. Ook, trouwens, door dat newsgetterssyndroom dat sommige collega's zo sterk parten
speelt: altijd verder, want elders lijkt het altijd spannender en lijkt er meer te gebeuren. Met als gevolg datje tegen mensen zegt: 'dag mevrouw, ik kom even een foto van u maken op uw sterfbed, het duurt maar een minuutje'. Wham bam thank you ma'am. Heel vreselijk natuurlijk. Toen ik in 1985 in Ethiopië was, hebben de schrijver en ik dat vermeden door al onze tijd in één vluchtelingenkamp door te brengen. We wilden niet van hot naar her rennen, geïntroduceerd worden bij de ergste krepeergevallen, de situatie in vijf minuten opzuigen, inpakken, wegwezen en op naar het volgende slachtoffer.

Het is een kwestie van beoordeling en die is subjectief. Het is een vage lijn waar ik best eens overheen zal zijn gegaan. Ik kom wel eens foto's van mezelf tegen, ook gepubliceerde foto's, waarvan ik achteraf met enige nuchterheid kan zeggen: 'dat had ik niet moeten doen'. Aan de andere kant hebben de mensen voor je camera vaak helemaal niet dezelfde gevoeligheden als jij. Dingen waarvan ik denk dat ik me er in dezelfde situatie voor zou schamen, zijn voor hen heel gewoon."


215R-090-007
Jump doggy, jump! Quail Dobbs, een beroemde rodeoclown en zijn hond Phyllis. Rocksprings, Texas, 1991.


215R-379-011
Stars en stripes. Uit de serie Texas-Rodeo 1991

U staat in Calcutta te fotograferen met ecu retourticket New York in uw achterzak. U maakt foto's die per stuk een bedrag opleveren dat de mensen die n daar fotografeert in een jaar niet verdienen. Uw foto's komen terecht in galeries, musea, en in koffietafelboeken van zestig dollar. Ik trek uw kunstenaarschap noch uw goede bedoelingen in twijfel, maar het heeft iets schizofteens.

"Wat is beter: dat soort beelden laten zien, of een vrouw met een mooie hoed? U hebt gelijk hoor, maar het is een keuze die ik heb gemaakt waar ik volmaakt vrede mee heb.
Als je een platform krijgt aangeboden, boven op de zeepkist mag klimmen, dan lijkt het me geen schande om te zorgen dat je iets te zeggen hebt. Ik bereik er mensen mee. En ik voel me nog altijd beter bij de - misschien ijdele - gedachte dat die foto's iets betekenen, dan dat ik miljoenen verdien met alleen maar commercieel werk, met portretten van beroemdheden."
Uw Grote Ergernis is aangesneden?

"Het is niet eens de fotografie van beroemdheden die me tegenstaat, het is de beroemdheid zélf, en de cultus daaromheen. Het gaat er in de westerse wereld blijkbaar om datje je roem en je ego laat opblazen. Het is van het allergrootste belang datje naam op ieders lippen is. Nogal wansmakelijk, vind ik.

Ik ben iemand die mensen fotografeert, waarbij ik belang stel in de werkelijkheid. Celebrity-journalistiek en fotografie doen het tegengestelde: die proberen de werkelijkheid schoon te poetsen. Nogal wat bladenmakers zijn cosmeticaverkopers. Celebrity A drinkt als een kanon, celebrity B heeft een dikke pout op zijn kin. Maar dat horen we niet, en krijgen we niet te zien. Er zit bijna altijd een cosmetisch laagje op de manier waarop beroemdheden in bladen worden geportretteerd. Begrijp me niet verkeerd: ik respecteer goede fotografie, punt. Of het nu een foto van een beroemdheid is, of een foto van de eerste de beste clochard. Avedon heeft prachtige celebrity-foto's gemaakt, en ik bewonder Mark Seliger, een groot talent die zich op dat vlak specialiseert. Maar wat je nu in veel bladen ziet, is tachtig procent bekende koppen. Ik
verlang terug naar de tijd dat de verhouding meer fifty-fifty was. Ik bedoel, wat ik echt wil
is 75% niet-celebrity onderwerpen. Maar de helft, dat is ook goed, daar teken ik voor."
Het kan verkeren. U heeft mensen als Marion Brando, Jeff Bridges en Frederico Fellini gefotografeerd, en niet slecht ook.

"Wat zo moeilijk is aan dat soort onderwerpen is dat je met méér moet komen dan die beroemde kop. Mooi als het lukt, maar dat hangt af van de toegang die je tot zo iemand hebt. Vijf minuten met meneer de sportheld of mevrouw de filmster zijn niet genoeg."

Bent u er niet voor bevreesd, dat de sociaiefotografie waarin n zich heeft gespecialiseerd de mensen niet wakkerschudt, maar hen nog meer afstompt, ongevoeliger maakt. Wellicht voedt u het beest dat n denkt te bestrijden.

"Dat is een dilemma. Maar ik sta nu eenmaal liever tussen de mensen die geen stem, geen medium en misschien geen toekomst hebben, dan tussen dingen die alleen maar imago en oppervlakte zijn."

300E-012-22A
Tiny, Seattle, 1983

Bloedzenuwachtig
U hebt van 1977 tot 1981 deel uitgemaakt van Magnum. Toen stapte u uit eigen beweging op.
"Alles wordt daar bij groepsdecreet besloten. Ik was geen goed groepslid. Je moet verplicht stemmen: is die of die fotograaf het waard tot Magnum toe te treden? Dat vind ik moeilijk, want ik wil niemand iets in de weg leggen of een gouden kans ontnemen. Pijnlijk. Als meisje had ik al problemen met studentenverenigingen, met georganiseerd zijn. Dat wilde ik nooit. Die milde weerzin gaat later in je leven niet weg. Integendeel. Bij Magnum was het veel leuker geweest als ik met de mensen daar had kunnen omgaan als vrienden en collega's. Maar ik moest ook zaken met ze doen en dat haatte ik, dat maakte het gecompliceerd. Ik had een onbeschrijflijke hekel aan de vergaderingen, ook al hielden ze die maar een keer per jaar. Ik maakte me daar maanden van te voren al bloedzenuwachtig over. Bovendien hielden ze veertig procent in van wat ik verdiende, wat alleen geen probleem is als ze je ook een hoop werk bezorgen, en dat was niet zo. Ik was vóór Magnum al een redelijk bekende en goeddraaiende fotografe."

Hoe verhoudt het reclamewerk zich tot uw sociale fotografie?

"Ik wil graag meer reclamewerk doen. Vooral, eerlijk gezegd, omdat me dat in staat stelt mijn andere werk te financieren. Ik had bijna een enorm Cokecampagne gekregen, helemaal in mijn straatje. Zwart-wit, echte mensen, niet in de studio. 't Ging op het laatste moment om onduidelijke redenen niet door. Maar ik ben wél ingeschakeld voor Coach, the Gap, Hasselblad,
Good Housekeeping, en Levi's.

Het meest interessant is het, als die commerciële foto's ook buiten elke campagnecontext overeind blijven. Als ze zijn losgeweekt van trends en overwegingen van verkoopbaarheid. Dat is vaak moeilijk, vanwege de beperkte vrijheid. Ik doe dan jammer genoeg ook maar sporadisch reclamewerk."

Is het mogelijk dat het emotionele soortelijk gewicht van de meerderheid van uw foto's adverteerders afschrikt?

"Zou kunnen. Maar waarom zou je mensen, consumenten, niet op een emotionele manier mogen benaderen? Of humoristisch of anders? Waarom alles zo grijs en gemiddeld?"

401T-532-014
Ram Prakash Sing met zijn olifant Shyama. Ahmedabad, India, 1990.

END